Waarom herfstsneeuw voor lawinegevaar tot ver in de winter zorgt

Maarten Minkman
Maarten Minkman 7 december 2020 13:18 uur
Laatste update: 7 december 2020 14:36 uur
In de vroege herfst valt de eerste sneeuw in de berggebieden. Een deel van die sneeuw zorgt voor weken tot maanden voor een verhoogd lawinegevaar.

Het weer heeft een grote invloed op het lawinegevaar en ontstaan van lawines. Zo neemt de kans op lawines toe bij een harde wind of veel sneeuwval. Ook het weer in de herfst speelt een belangrijke rol op het lawinegevaar in de eerste weken tot maanden van de winter. Hoe dat precies zit? Dat leggen we uit in dit artikel.

Eerste sneeuw en weerbeeld in de herfst is cruciaal

Vaak valt er in de vroege herfst (oktober tot begin november) wel een keer een flink pak sneeuw in de Alpen. Dit jaar was het in oktober zelfs meerdere keren raak waarbij er geregeld tot tientallen centimeters aan sneeuw viel in het hooggebergte. En juist deze vroege herfstsneeuw speelt een belangrijke rol voor het lawinegevaar in de eerste weken van de winter.

In oktober viel er geregeld een dik pak sneeuw in de Alpen. Foto 28 oktober 2020 in Reit im Winkl (Corry van Daalen)

Veel van die sneeuw smelt in de lagergelegen gebieden en zuidelijke hellingen weg gedurende de herfst. De zon heeft dan namelijk nog genoeg kracht om de sneeuw te laten smelten. In het hooggebergte, en dan met name op beschutte hellingen in de schaduw, blijft de sneeuw vaak wel (deels) liggen.

Geregeld zien we na zo'n sneeuwrijke fase in de herfst een periode met een rustiger weerbeeld. Tijdens zo'n rustige periode dan ondergaat de sneeuw die er nog ligt een transformatie. De relatief stevige laag veranderd in de loop van de tijd in losse kristallen.

Combinatie van verse en oude sneeuw zorgt voor onstabiliteit in sneeuwdek

Als zo'n sneeuwlaag is veranderd in losse kristallen hebben we nog geen probleem. Deze problemen ontstaan pas als er een verse laag sneeuw op deze zwakke laag met losse sneeuwkristallen valt. De sneeuw die is gevallen vormt een steviger geheel dan de losse kristallen die we aan de bodem vinden. Deze verschillen in stevigheid zorgen voor een onstabiel sneeuwdek.

In dit sneeuwprofiel is de zwakke laag bij de bodem goed te zien (rode lijn) en dat de sneeuw daarboven steviger is. Dit sneeuwprofiel is gemaakt op de Nordkette (Innsbrück) in de relatief sneeuwarme winter van 2017 waarin deze zwakke lagen een groot deel van de winter van invloed waren op het lawinegevaar. Foto Maarten Minkman

Daarnaast is de 'oude sneeuw' aan de bodem vaak iets warmer dan de verse sneeuw die in de vroege winter valt. Hierdoor ontstaan er temperatuurverschillen in het sneeuwdek: relatief warme sneeuw onderin met koudere sneeuw daarbovenop. Als gevolg verplaatst vocht zich vanuit de warmere laag richting de koudere laag. In dit geval verdwijnt er dan dus vocht uit de al zwakke laag aan de bodem naar de verse sneeuw daarboven. De laag aan de bodem wordt dus nog wat zwakker.

Als het sneeuwdek dan belast wordt (door bijvoorbeeld een skiër, wandelaar of vallende steen) dan kan de drukgolf de zwakke laag bij de bodem bereiken. Het gevolg: er ontstaat een breuk in de stevigere en versere sneeuw. Als de helling stijl genoeg is gaat deze sneeuw glijden en is een lawine een feit.

"Tot nu toe is de herfst 'ideaal' verlopen voor het vormen van een zwakke sneeuwlaag bij de bodem"
Maarten Minkman - Meteoroloog Weerplaza

In sneeuwarme winters kan dit probleem weken tot maanden aanhouden

Vooral in sneeuwarme winters kan dit probleem weken tot maanden duren. Het is geen uitzondering dat in lawineberichten van een "bodennahe Schwachschicht" gesproken wordt tot en met januari of februari. Toch kan het ook korter duren. Voorwaarde is dan dat de winter sneeuwrijk is. De impact van een skiër kan tot meer dan een meter diep door een sneeuwdek gaan (en dus een zwakke laag laten breken). Als er dus voldoende sneeuw ligt dan kan deze onderste laag door deze belasting niet meer breken. Wel zijn er dan waarschijnlijk andere factoren die voor een risico op lawines zorgen.

Doordat dit probleem afhankelijk is van het verloop van het weer in de herfst en vroege winter kunnen er in de bergen grote regionale verschillen ontstaan. Dit probleem laat dan ook goed zien waarom het belangrijk is om de weer- en sneeuwsituatie over een langere periode te kennen om het lawinegevaar in te schatten. De lawinediensten beginnen dan ook vaak in oktober en november al met de situatie in kaart te brengen.

Huidige situatie 'ideaal' voor zwakke sneeuwlaag bij de bodem

De neerslagafwijking in procenten ten opzichte van een gemiddelde novembermaand. 100% is een gemiddelde novembermaand. Bron: ZAMG

Dit jaar is de herfst tot nu toe 'ideaal' verlopen voor het vormen van een zwakke sneeuwlaag bij de bodem. In oktober viel er veel sneeuw waarbij er geregeld boven de 2000 meter meer dan een halve meter sneeuw viel. Wat volgde was een droge en te warme novembermaand. Zo viel er volgens het ZAMG in november 74% minder neerslag in Oostenrijk dan normaal. De sneeuw die na oktober op beschutte plekken is blijven liggen heeft hierdoor kunnen transformeren naar losse kristallen.

Nu is er dus bij de start van de meteorologische winter een flink pak sneeuw gevallen. Op hellingen waar zo'n zwakke sneeuwlaag zich in november heeft kunnen vormen raakt die nu dus ingesneeuwd. Hogerop zal deze verse sneeuw normaal gesproken de komende periode nauwelijks meer wegsmelten. Het verloop van de winter (sneeuwarm of sneeuwrijk) gaat nu mede bepalen of dit probleem zich weken of maanden voor gaat doen.

Deel:

Files en vertragingen