Ben Lankamp

Zure regen in Europa neemt langzaam af

15 september 2019 10:00 uur (bijgewerkt: 15 september 2019 12:56 uur)
Tussen dertig en veertig jaar geleden stonden de kranten vol berichten over zure regen en de grootschalige aantasting van bossen. Dankzij milieubeleid is de verzuring in Europa langzaam aan het verminderen, maar in Azië is het juist een snel groeiend probleem.

Zure regen: hoe zat het ook alweer?

Na de Tweede Wereldoorlog is de industrie sterk gegroeid in Europa en de rest van de wereld. Bij veel industriële processen komen zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), waaruit zwavelzuur en salpeterzuur ontstaan, en ammoniak (NH3) vrij.

Deze stoffen en gassen worden in de atmosfeer vermengd met de waterdamp waaruit regenwolken bestaan. Dat zorgt ervoor dat de zuurgraad van de regendruppels toeneemt (lagere pH). Vandaar de term 'zure regen'. Als deze regen weer neervalt op aarde, leidt dit tot een algehele verzuring van het milieu.

Al in de jaren '60 werd in Zuidwest-Zweden geconstateerd dat het water in veel meren sterk verzuurd was. Deze ontdekking kwam nadat de visstand ernstig was teruggelopen. Uit chemisch onderzoek in heel Europa tussen 1967 en 1979 bleek dat de oorzaak lag in de zuurgraad van neerslag, die sterk was toegenomen.

Kale bossen, aantasting waterleven

Als zure neerslag terecht komt in meren, rivieren en sloten, stijgt daarmee de zuurgraad van het water en dat heeft grote gevolgen voor het waterleven. Vissen ontwikkelen schade aan hun kieuwen door een teveel aan aluminium in het water. Eieren van vissen worden aangetast door het zuur.

In Nederland en België was deze schade ook zichtbaar in het begin van de jaren ’80. Vooral in vennen verdwenen bepaalde plantensoorten en amfibieën. De verzuring van het oppervlaktewater bleef in onze omgeving nog vrij beperkt, omdat veel wateren niet zo sterk onder invloed van regenwater staan.

Het belangrijkste symbool van zure regen zijn misschien wel de kale bossen die in Europa ontstonden. Al in 1947 werd in het Ertsgebergte bladverlies en vergeling geconstateerd als gevolg van een verzuurde bodem.

Kale bomen in het IJzergebergte (foto uit 2006)

Tussen 1950 en 1980 verspreidde deze schade zich over het hele Erts- en IJzergebergte, in de grensstreek van Duitsland, Polen en (toen nog) Tsjecho-Slowakije.

Rond het begin van de jaren ‘80 werd in heel Duitsland schade zichtbaar aan bossen. Dit was aanleiding voor Nederland om ook onderzoek te doen naar vitaliteit van de bossen en de relatie met luchtverontreiniging.

Veel bosbodems bleken verzuurd, het bodemvocht bevatte een verhoogde concentratie opgelost aluminium en de hoeveelheid calcium was verlaagd. Dat zijn giftige condities voor boomwortels.

Er trad uiteindelijk geen grootschalige boomsterfte op, hoewel de situatie 'labiel' was: het vermogen van de bomen om bijvoorbeeld droogte of vroege najaarsvorst op te vangen, was sterk verminderd.

Afspraken om verzuring tegen te gaan

In Europa kreeg milieubeleid om schadelijke luchtverontreiniging tegen te gaan in de jaren '70 en '80 heel geleidelijk vorm. In 1980 werd door de EEG (nu de EU) een harde grens gesteld aan de uitstoot van zwaveldioxide, in 1982 volgde regels voor het beperken van het gebruik van lood en in 1985 werd ook stikstofdioxide aangepakt.

In het jaar 1985 werd het eerste Zwavelprotocol aangenomen door Europese landen. In dit protocol werd afgesproken dat de uitstoot van zwaveldioxide in ieder land met ten minste 30% moet zijn gedaald in 1993, ten opzichte van het niveau in 1980.

Een paar jaren later, in 1988, volgde het NOx-Protocol met verplichten om de uitstoot van stikstofoxiden te verminderen tot een niveau dat vergelijkbaar was met 1987 of een eerder jaar (met lagere uitstoot).

Verschillende landen in Europa, maar ook elders in de wereld (o.a. de Verenigde Staten), hebben zelf nog meer regels ingevoerd, die in sommige gevallen verder gingen dan de afspraken die in de genoemde protocollen zijn vastgelegd.

Heeft het zin gehad?

Net als met de afspraken om de aantasting van de ozonlaag (het 'ozongat') te bestrijden, kan de aanpak van luchtverontreiniging en het tegengaan van verzuring een (gematigd) succes genoemd worden.

De uitstoot van zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak is (sterk) gedaald sinds het begin van de jaren '90. Het effect van de verschillende regels die zijn ingevoerd, is afgebeeld in de grafieken hierboven.

Het zijn bemoedigende resultaten, maar de kanttekening hierbij is dat de gestelde doelen in veel gevallen helemaal niet gehaald zijn. De ambitie was dus veel groter.

Zo zou de uitstoot van stikstofoxiden in 2000 moeten zijn verminderd tot 270 kiloton per jaar, maar de uitstoot was in dat jaar nog 390 kiloton.

Alleen voor zwaveldioxide zijn de afspraken gehaald: voor het jaar 2000 was een afname van de uitstoot tot 105 kiloton afgesproken, er werd in 2000 ongeveer 73 kiloton uitgestoten.

Uitstoot van stikstofdioxide in juni 2018. Bron: KNMI/ESA

De cijfers verraden al, dat de uitstoot weliswaar is verminderd, maar die is zeker niet nul. Met satellieten is goed te meten waar de meeste uitstoot van bijvoorbeeld NO2 (stikstofdioxide) in Europa voorkomt.

Niet verwonderlijk, zijn dat hoofdzakelijk de gebieden waar zware industrie is, zoals het Roergebied, maar ook de havengebieden van Rotterdam en Antwerpen. Het Verenigd Koninkrijk heeft ook een forse bijdrage aan de uitstoot. Zo ongeveer elke grote stad springt er eveneens uit, dat komt mede door de uitstoot van het verkeer.

Wie goed kijkt, ziet zelfs een 'spoor' van uitstoot over de Middellandse Zee langs Spanje en Portugal naar het Kanaal: dit is de belangrijkste scheepvaartroute vanuit Azië naar West-Europa.

Verzuring vermindert, maar blijft optreden

In Europa is de zuurgraad van het oppervlaktewater en de bodem door de uitstootvermindering vanaf eind jaren '90 gestabiliseerd en sinds ongeveer 10 jaar weer langzaam aan het stijgen.

Het meest zichtbare resultaat is een duidelijke verbetering van snel reagerende bodemcondities en de terugkeer van bijvoorbeeld bepaalde (minder gevoelige) mossen in de bossen.

De bomensterfte is ook afgenomen, al speelt daarbij ook het (niet) optreden van koude winters een belangrijke rol. In sommige delen van Europa zijn nog steeds grote aantallen bomen ziek.

We kunnen in het algemeen zeggen dat verzuring in Europa nog steeds een probleem is, maar het wordt niet erger en verbetert langzaam.

Wereldwijde uitstoot van stikstofdioxide in 2018, gemeten met satellieten. Europa springt eruit, maar in Azië vindt dezelfde (en sterkere) uitstoot plaats op veel grotere schaal. Ook in Afrika is veel zichtbaar. Bron: ESA

Zure regen in Azië

Op bovenstaande kaart is te zien dat Europa nog altijd behoorlijke uitstoot van luchtverontreiniging heeft, die dus verzuring van het milieu veroorzaakt. Het is bemoedigend dat de uitstoot is gedaald, zeker gezien het feit dat de industrie tegelijkertijd sterk gegroeid is.

Op wereldschaal is er een ander werelddeel dat veel meer uitstoot en waar verzuring een snel groeiend probleem is: Azië. Vooral in China is de uitstoot van bijvoorbeeld stikstofdioxide gigantisch toegenomen en overstijgt nu ruim de hoogste uitstoot die in Europa ooit is geweest.

De laatste jaren komen ook de metingen binnen dat het water en de bodem in Rusland en China aan het verzuren is. Als daar niet dezelfde soort maatregelen worden getroffen en de industrie zo sterk blijft groeien, zal dat verregaande gevolgen voor de natuur hebben.

Bronnen: NOAA, PBL, krantenarchieven van o.a. Agrarisch Dagblad

Deel:

Files en vertragingen